Verveelde Hond

Winston Churchill zei het al:  ‘A good speech should be like a woman’s dress: long enough to cover the subject, but short enough to be interesting.’ Niet iedereen heeft dat advies goed begrepen. Fidel Castro bijvoorbeeld stond bekend als de meest langdradige spreker in de politieke geschiedenis. Volgens het Guiness Book of Records is hij nog altijd houder van het record voor de langste toespraak in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, met 4 uur en 29 minuten. Dat is overigens bij lange na niet de langste gedocumenteerde toespraak.  Dat record staat, voor zover bekend, op naam van Lluis Colet, die in 2009 ruim 124 uur onafgebroken sprak over onder andere de schilder Salvador Dalí. Ironisch genoeg is Dalí dan weer bekend van een van de kortste toespraken ooit: ‘Mijn speech is zo kort, dat deze al weer voorbij is.” 

President William Henry Harrison hield op 4 maart 1841 in de stromende regen zijn inaugurele rede. Zijn speech duurde bijna twee uur, nog altijd de langste inaugurele rede van een Amerikaans president. Precies een maand na zijn toespraak overleed Harrison aan een longontsteking die hij zeer waarschijnlijk had opgelopen doordat hij zo lang in de regen had staan spreken. De te lange speech had hem letterlijk het leven gekost. Maar meestal is het het publiek dat zich figuurlijk dood verveelt bij te lange toespraken. Collega-trainer Petra Hiemstra schreef onlangs een blog over hoe je langsprekers hoffelijk kunt onderbreken. Maar soms gebeurt dat ingrijpen minder hoffelijk. Hieronder een verzameling van anekdotes over te lange toespraken waar het publiek een eind aan maakte. En natuurlijk tips hoe je ervoor kunt voorkomen dat jij jouw publiek verveelt door te lang te praten.

De ultieme blijk van afkeuring: de spreker belachelijk maken

In 1854 hield een hoogleraar in de esthetica een lang, breedsprakig betoog over de stelling dat kunst nooit een verbetering van de natuur kan zijn. Eén van zijn toehoorders verloor op een gegeven moment zijn geduld en riep tot hilariteit van de rest van het publiek hardop:

“Hoe zou u eruit zien zonder pruik, professor?” 

Een ander verhaal, ook uit de 19e eeuw, vertelt van een spreker die drie uur achter elkaar sprak zonder pauze, om zich vervolgens te verontschuldigen voor het feit dat hij geen horloge droeg en daarom geen benul had voor de tijd. Een van de luisteraars riep hem toe dat achter hem een kalender hing, en dat hij daar meer aan zou hebben.

De spreker belachelijk maken is een harde vorm van een persoonlijke aanval. Het is nooit netjes, maar soms wel begrijpelijk. Het is de ultieme blijk van afkeuring.

De methode ‘Lieftinck’ (1) – grapjes met de spreker uithalen

Eind 19e eeuw werd Frans Lieftinck, een voormalig dominee, voor de liberalen in de Tweede Kamer gekozen. Lieftinck was een opvallend kamerlid. Vanwege zijn uiterlijk: hij was lang en fors gebouwd en droeg een woeste baard, maar ook vanwege zijn ongeduld. Als een ander kamerlid naar zijn mening te lang sprak, kon Lieftinck ineens door de zaal schreeuwen dat het wel genoeg was. Zijn favoriete ‘slachtoffer’ was mr Antonius van Baar. Van Baar was een oudere man die al decennia in de Tweede Kamer zat. Probleem was dat Van Baar de neiging had over elk onderwerp mee te willen praten. Meestal begon hij zijn betoog met een uitgebreid excuus dat hij geen deskundige was op dit onderwerp. Om vervolgens in een lang betoog zijn gedachtes te ontsteken en te eindigen met wat algemene aanbevelingen. Daar kwam nog bij dat Van Baar een slechte spreker was, die zich regelmatig verslikte in zijn eigen zinnen en dan hakkelend zijn verhaal vervolgde. De media smulde als Lieftinck er weer eens genoeg van had en Van Baar belachelijk begon te maken, zoals in dit verslag van een parlementair verslaggever uit de 19e eeuw:

Nauwelijks heeft de Voorzitter den naam van dezen afgevaardigde uit Eindhoven [Van Baar] genoemd, of de heer Lieftinck steekt de zaal over, om een vroolijk spel met hem te drijven. Soms gaat hij vlak naast den spreker staan, bij ieder zijner beweringen toestemmend met het hoofd knikkend, als vond hij ze volkomen juist; ook zinkt hij wel eens in zijn nabijheid op een der groene bankjes neêr, hem lachend aanziende, door een interruptie hem in verlegenheid brengend, terwijl hij hem midden in zijn redevoering een onverwachte vraag doet, waardoor hij aan het stotteren raakt; en niet zelden wordt hij, wanneer deze afgevaardigde in een zijner oude, vroolijke buyen is, hierin door den heer Blussé geholpen. Met hun beiden bassen zij de kleine figuur van den heer Van Baar met luid gebrom aan, brengen hem in het nauw, jagen hem in een oratorischen hoek, zoodat de spreker hals over kop naar het einde zijner redevoering tuimelt.

Antonius van Baar kon de grapjes van Lieftinck overigens wel hebben. Vaak moest hij er zelfs om lachen. En soms nam hij op eigen wijze subliem wraak. Altijd op  vrijdagmiddag, als de Kamerleden de trein naar huis wilden halen voor het weekend. Van Baar vroeg dan ineens een derde termijn of een extra stemming aan. Om vervolgens met een lange toespraak de andere parlementariërs steeds zenuwachtiger te maken.

De methode ‘Lieftinck’ (2) – praten, tikken en kuchen

Na het overlijden van Antonius van Baar in 1889 ontwikkelde Lieftinck een heel trukendoos tegen sprekers die te lang “bleven zeuren”. Gewoonlijk ging Lieftinck, wanneer hij vond dat een spreker saai werd, eerst opzichtig de krant lezen, voorzien van luid commentaar: “Hè?”, “Zo, zo”, “Bah!”. Hielp dat niet, dan zette Lieftinck zijn tweede middel in:

Wanneer een spreker de Kamer verveelt, dan klinkt daar plotseling boven het gegons van stemmen uit een fel en scherp tikken. Een onophoudelijk tikken, een irriteerend tikken. Soms staakt het even, maar als de spreker tòch doorgaat dan begint het tikken óók weer. De Kamer lacht. De Kamer weet wat het tikken beduidt. Het is het tikken van Lieftinck. De nestor zit dan met zijn penhouder tegen z’n tinnen inktkoker te tikken. Schel, kort, venijnig klinkt ‘t. ’t Is voor den spreker het sein dat ie op moet houden, dat ie gruwelijk vervelend is, dat ’t veel te lang duurt.

En hielp zelf dat niet, dan had Lieftinck nog een allerlaatste middel:

Soms hoort men het tikken niet, maar dreunt er plots een vervaarlijke hoest door het parlement. Een stentor-kuch welke allen opschrikt als ’t schorre geluid van een geweldige misthoorn. De Kamer lacht. De Kamer weet wat ’t hoesten beduidt. Het is de kuch van Lieftinck. Een spreker die door zoo’n kuch onderbroken wordt, is gewaarschuwd. Hij snapt dat het tijd wordt om te eindigen. Een compliment is het nooit, om door het tikken of kuchen van Lieftinck tot de orde te worden geroepen. Want dàt is het, zij het officieus.

De methode ‘Nolens’ – tikken met de zegelring

Ook monseigneur Nolens, fractievoorzitter van de Rooms-katholieke RKSP in de jaren ’20 van de vorige eeuw, had een hekel aan langdradige sprekers. Fractievoorzitters zitten graag zoveel mogelijk vooraan in de Tweede Kamer. Zo zijn ze goed in beeld en kunnen ze snel bij de interruptiemicrofoon zijn. Maar Nolens zat als fractievoorzitter juist helemaal achteraan in de zaal. Zo kon hij de debatten goed overzien. In tegenstelling tot zijn voorganger dr Schaepman deed Nolens nauwelijks mee aan de debatten. Hij keek vooral, en luisterde… En als een fractielid of een minister te lang sprak, liep hij naar voren, om bij de interruptietafel te gaan tikken met zijn zegelring. Tik…tik… tik,… Voor de spreker een signaal dat het verhaal te lang en te saai was, en dat het hoog tijd was er een eind aan te breien. En dat gebeurde dan ook meestal.

Op een dag begin 1927 sprak Gerardus Bulten in de Tweede Kamer. Bulten was eerder hoofdonderwijzer geweest maar was nu lid van de Tweede Kamer en daarnaast ook burgemeester van Voorhout. Een belangrijk man dus. En Bulten stond er ook om bekend dat hij zichzelf hoog in het vaandel had en zichzelf graag hoorde spreken. Iemand die met gulzige teugen de drank van zijn eigen woorden dronk.

Ook op deze dag in 1927 sprak Bulten lang. Maar opeens klonk daar het waarschuwende geluid. Tik…tik….tik… Verslaggevers merkten op dat Bulten reageerde zoals een leidinggevende reageert die, terwijl hij met zijn secretaresse flirt en haar over de kin te strijkt, ineens de stem van zijn vrouw op de gang hoort. Betrapt! Bulten maakte snel een einde aan zijn verhaal en liep beschaamd terug naar zijn zitplaats. Daar zag hij mgr. Nolten rustig in zijn bankje brieven zitten schrijven. Een andere parlementariër, die vond dat Bulten te lang sprak, was opgestaan en had het getik meesterlijk geïmiteerd.

De methode Van Houten en Van Rees – zelfkritiek

Langdradige redevoeringen waren in de 19e eeuw in de Tweede Kamer schering en inslag. Vanuit de pers kwam daar steeds meer kritiek op. Kritiek, die door de leden van de Tweede Kamer steeds terzijde werd geschoven. Maar in december 1882 kwam kamerlid Samuël van Houten publiekelijk met zelfkritiek op de Tweede Kamer en de lange betogen. Hij zei:

“De Tweede Kamer heeft de Regering overtroffen in het met veel woorden weinig zeggen”

Twee dagen later deed Kamervoorzitter Otto van Rees daar nog een schepje bovenop. Na een lang debat kwam kamerlid Willem Karel baron van Dedem met het voorstel om de vergadering te verlengen tot de avond. Voorzitter Van Rees verklaarde publiekelijk tegen dit voorstel te zullen stemmen omdat hij vond dat er al voldoende gezegd was. De pers was lovend over de zelfkritiek van Van Houten en Van Rees:  .

“Om het publiek gunstig te stemmen, is zelfbeheersing in de mondelinge debatten het eerste en meest onmisbare vereiste.”

Overigens hielp het nog niets. Het verzoek van Van Dedem werd aangenomen en de vergadering duurde gewoon tot ver in de avond. Pas later zou de Tweede Kamer steeds vaker spreektijd invoeren om al te lange betogen te voorkomen.

Hoe voorkom je dat je publiek zich verveelt tijdens jouw toespraak?
Tip 1: Gebruik niet teveel argumenten

Als gemeenteraadslid krijg ik regelmatig emails waarin soms wel tien redenen worden genoemd waarom zij het niet eens zijn met een besluit van de gemeente. Onnodig te zeggen is dat dit altijd hele lange emails zijn. Dit soort lange mails lezen vraagt veel concentratie, en daardoor werken ze vaak averechts. De eerste argumenten zijn al weer weggezakt tegen de tijd dat je aan het eind van de brief bent.

Hetzelfde gebeurt vaak bij het luisteren naar lange toespraken. Het ene na het andere argument of anekdote komt voorbij. Je herkent het vast zelf wel bij een lang verhaal. Je probeert te luisteren maar je hersenen kunnen zoveel informatie gewoon niet aan. En op een gegeven moment haak je af. De gedachten vliegen een andere kant op. Je hoort de spreker nog wel, maar je luistert niet meer. Alles wat de spreker zegt, gaat spreekwoordelijk het ene oor in en het andere oor uit. Als iemand je een dag later vraagt wat de spreker gezegd had, zal je het antwoord schuldig blijven.

Het is altijd beter om met een beperkt aantal, sterke argumenten te komen dan met een groot aantal waar ook zwakkere argumenten bij zitten. Dit komt geloofwaardiger over. Een betoog is zo sterk als het zwakste argument.

Tip 2: Kom met een duidelijke structuur

Je helpt je publiek als je in het begin van je verhaal met een duidelijke structuur komt.

“Mijn lezing gaat over pulsvissen en ik zal met drie argumenten aantonen dat ik van mening men dat pulsvissen niet verboden moet worden. Eerst kom ik met een uitleg wat pulsvissen precies inhoudt en waarom deze manier van vissen beter voor de zeebodem is dan andere manieren van vissen. Daarna laat ik het economisch belang zien voor de Nederlandse visindustrie. En tot slot geef ik aan waarom pulsvissen past in een lange traditie van Nederlandse innovaties, een traditie die we moeten koesteren.” 

Met een dergelijke inleiding laat je het publiek in een paar zinnen weten hoe je verhaal eruit gaat zien. Het zal veel makkelijker zijn voor ze om het verhaal te volgen. Door een dergelijke structuur te combineren met andere tips voor het begin van je toespraak, open je je betoog perfect!

Tip 3: Bereid je verhaal goed voor!

Beide voorgaande tip komen samen in de allerbelangrijkste tip: bereid een toespraak altijd goed voor! Hoe beter je een verhaal voorbereidt, hoe korter en scherper je het kunt vertellen. Wat de Franse filosoof Pascal in de 17e eeuw al schreef

Je n’ai fait celle-ci plus longue que parce que je n’ai pas eu le loisir de la faire plus courte.

(Deze brief is nogal lang uitgevallen omdat ik geen tijd had hem korter te maken.)

geldt ook voor toespraken. Een lang verhaal maken is makkelijker en kost minder tijd dan een kort en scherp verhaal maken.

Meer informatie

Wil je ook korter, bondiger en daardoor aantrekkelijker leren spreken? Neem dan vrijblijvend contact op om de mogelijkheden van een debat-  of speechtraining te verkennen. Of abonneer je op mijn nieuwsbrief en ontvang regelmatig tips, trucs en analyses. 

Share